De reanimatie van een Philips 830A

830b.jpg (83939 bytes)

Enige tijd geleden vroeg iemand mij of ik zijn Philips 830A wilde opknappen. "Laat de patiŽnt maar eens zien." zei ik. Er kwam een lege maar prachtig uitziende kast tevoorschijn. Zo mooi zie je ze niet vaak Arbolite, dat ook wel turbolite genoemd wordt en is tenslotte vrij kwetsbaar. Maar deze leek wel nieuw uit de winkel. Daarna werd mij een grote doos getoond met daarin het chassis. Ogenblikkelijk kreeg ik spijt van mijn toezegging. Het toestel was in erbarmelijke staat. Er was van alles losgeknipt, klodders tin hingen her en der, onderdelen waren verdwenen, enz. Het leek wel of er een roedel miniatuurpitbulls in had huisgehouden. Verder bevond zich in de doos nog een kleiner doosje, gevuld met condensatoren, weerstanden, boutjes ed. Hierin ook de potmeter die op wel tien plaatsen onderbroken was. De luidspreker was er ook maar om een of andere reden was de conus verwijderd, kortom: een desolate toestand! Ik kreeg te horen dat het toestel enige jaren bij iemand had gelogeerd die het wel even zou repareren. Dat even begon de eigenaar echter wat te lang te duren, zodoende had hij het teruggehaald. 

Iedereen die deze apparaten vaker onder handen heeft gehad weet dat de condensatoren in de blokken bijna altijd defect zijn. In het verleden heb ik ze wel eens van een nieuwe inhoud voorzien maar dat doe ik liever niet meer. Wat voor troep er in zit weet ik niet, maar destijds proefde ik de nasmaak nog dagen. Het spul komt toch altijd in aanraking met gereedschap en, zeker als je rookt zoals ik vroeg of laat ook in je mond. Ik vertelde de eigenaar dus dat ik mijn gezondheid toch te belangrijk vind en dergelijke operaties liever achterwege laat. Hij had daar begrip voor en zei dat het hem niets uitmaakte wat er onder het chassis gebeurde zolang er bovendeks maar niets van te zien was.

Enfin, ik besloot dus mijn soldeerbout er op los te laten. Eerst werd de luidspreker geprobeerd, die deed het gelukkig nog. Waarom de conus eraf was is me dus een raadsel, ik houd het er maar op dat een van de toevoerdraden los was gegaan. De conus werd er weer opgezet en bevestigd aan de rand d.m.v. de klemdraad die uit de doos werd gevist. Vervolgens werd de overbrengstift weer vastgesoldeerd. Nogmaals aangesloten en jawel, hij klonk zoals dergelijke luidsprekers behoren te klinken. De lampen werden verwijderd en zichtbare kortsluitingen tussen de draden werden opgeheven. De universeelmeter werd op de gloeidraadaansluitingen gezet. Nog een laatste controle of de netspanning correct was ingesteld. Hierna werd het chassis op de variac aangesloten; langzaam opendraaien, gelukkig er was spanning. Het schaalverlichtinglampje lichtte vrolijk op. Hoogspanning gemeten; ook o.k. So far, so good. Vervolgens werden de aansluitingen op de condensator blokken losgesoldeerd, voor zover dit nog niet gebeurd was. Nu werd de philiscoop onder stoom gezet. Zijn oordeel verwonderde mij niet: alle condensatoren lek. Ze werden vervangen door 250V Siemens typen van dezelfde waarde. Die zijn lekker klein dus je vindt er altijd een plaatsje voor. Ook de twee kleine hoogspanningselco's van een paar uF werden aangebracht in het voedingsdeel.

De potmeter: een zelfde exemplaar had ik niet in voorraad en de elektronicazaak had helaas geen draadgewonden potmeters met schakelaar. Ik kon de oude eventueel overwikkelen met Ritro weerstandsdraad, maar dat is zo dun dat ik bang was dat het binnen de kortste keren doorgesneden zou worden door de loper. Een koolpotmeter kan niet toegepast worden omdat de hele anodestroom er doorheen vloeit. Die zou dus geen lang leven hebben. Tenslotte loste ik het probleem als volgt op. Ik bracht een weerstand aan van 600 ohm, 2 watt tussen de smoorspoel en de weerstand van 40 ohm (zie het schema in het Radio Historisch Tijdschrift van juni '93) Parallel hiermee werd een gewone koolpotmeter met netschakelaar gezet. Waarde niet zo kritisch: 20k of hoger De loper hiervan wordt verbonden met de oorspronkelijke aansluitdraad. Er loopt praktisch geen stroom door de potmeter. Hij dient alleen om het rooster van de E462 (en het rooster van de E428 bij gebruik van een platenspeler) een negatieve spanning te geven.

Nu werd de LF-trafo doorgemeten: zowel primair als secundair onderbroken. Er werd een nieuwe gemonteerd. Toen werd de smoorspoel van de eindtrap gemeten, ook deze was onderbroken. Er werd een truc uit de oude doos toegepast: spoel losgesoldeerd en in serie met een fietsachterlichtlampje aangesloten op een trafo die ongeveer 800 volt kan leveren. Stekker even heel kort in het stopcontact. Het lampje licht heel fel op (en overleeft het meestal niet). Spoel nogmaals doorgemeten en jawel: operatie geslaagd. Het hoogspanningsgedeelte kon nu beproefd worden. Gelijkrichtlamp op zijn plaats en universeelmeter tussen kathode en massa, variac naar een volt of vijftig. Zoals verwacht (de 1823 had zijn potentie reeds bewezen op de Metrix lampentester) ontstond er een gelijkspanning over de eerste afvlakcondensator. Nu werden de anode en schermroosterspanningen op de voeten van de andere lampen gemeten. Alles ok behalve de anodespanning van de tweede HF lamp: 0 volt. Daarvoor bleek spoel S 1 verantwoordelijk. Weerstand oneindig m.a.w.: spoel onderbroken. De spoel werd verwijderd en warm gemaakt om de paraffine te verwijderen. Daarna werd de draad afgewikkeld en vervolgens werd de spoel opnieuw gewikkeld met draad van dezelfde lengte en doorsnede. Variac weer aangesloten, 50 volt, 100 volt, tenslotte zo'n 200 volt. Alles gaat goed. Tijd voor koffie en een sigaar, af en toe een blik op de voltmeter die nu over de tweede afvlakcondensator staat.

Na een minuut of tien wordt het tijd om het chassis vol vacuŁm te prikken. Luidspreker aangesloten, alle lampen erin, antenne in de middelste bus. Zodra de lampen op temperatuur zijn produceert het apparaat een oorverdovende giltoon, leuk voor de buren. Even kijken hoe het toestel dat voor elkaar krijgt. Voor dergelijke ongeregeldheden ligt er een condensator klaar van 0.5pF voorzien van twee krokodilklemmen. Een klem op het chassis en de andere op het rooster van de eindlamp (het toestel van achter naar voor onderzoeken). Toon weg. Klem op het rooster van de detector: het gillen blijft. Aha, rond de E428 moet de fout dus zitten. Zo op het eerste gezicht ziet alles er goed uit, misschien een slecht soldeercontact? Dan maar eens wrikken aan de bedrading van de voet. Beet! Het boutje waarmee de soldeerlip bevestigd is, waaraan op zijn beurt de condensator van 3200 pF gesoldeerd is zit los, waardoor deze geen contact maakt met het chassis. Het boutje wordt vastgedraaid. Victorie! Radio 5 knalt luid en duidelijk door het vertrek. Draaien aan de afstemcondensator overtuigt me ervan dat alle zenders op de goede plaats zitten. Gelukkig, de afstemkringen zijn dus in orde. Ik laat het toestel een tijdje warmdraaien. Na enkele minuten gaat het mis: het geluid zakt weg. Het lijkt erop dat er een probleem is met een gloeistroomleiding. Aanraken van de eindbuis doet het geluid ogenblikkelijk terugkeren. De pennen even oversolderen blijkt de remedie. Na een minuut of tien echter weer hetzelfde verschijnsel, maar deze keer is de uitsterftijd langer, dat wijst op een slecht gloeidraadcontact van een indirect verhitte lamp. Dan de detector maar weer eens onder handen nemen. Deze heen en weer bewegen doet het geluid weer tijdelijk terug keren. Ook de pennen van de E428 worden dus overgesoldeerd. Hierna blijft het toestel braaf spelen zoals het hoort. De golflengteschakelaar krijgt nog wat contactspray, hier en daar wordt een verdacht uitziende soldeerverbinding nog eens overgesoldeerd. Verder laat ik het toestel van 2 cm hoogte een paar keer op tafel vallen om zodoende eventuele slechte contacten op te sporen. Er treden echter geen vreemde verschijnselen meer op zodat ik besluit het chassis in de kast te plaatsen.

Na enkele dagen proefdraaien mag het toestel dan terug naar zijn baasje, dat er hopelijk nog lang plezier aan zal beleven.

 

©Herm Willems author & PE1MMK Hans Hilberink - 15-03-1997.

 


Eerder gepubliceerd in: het Radio Historisch Tijdschrift, augustus, 1995.